Afgelopen donderdag was ik op een symposium over het nieuwste boek van Gerard Dekker, getiteld; Heeft de kerk zichzelf overleefd? Het leuke van (godsdienst)sociologen vind ik,  dat zij kerkelijke ontwikkelingen verbinden met maatschappelijke ontwikkelingen. Of eigenlijk andersom. Zoals ik eerder Joep de Hart eens citeerde;

De leegloop van de kerken hebben geen godsdienstige factoren ten grondslag, maar sociale en dus aan de maatschappij-gelijkzijnde factoren.

Dekker hekelde de vermaatschappelijking van de kerk, het pronken met het maatschappelijke rendement van de kerken ter waarde van 400 miljoen. Onlangs nog weer gebruikt door de nieuwe PerspectieF-voorzitter Robert Heij in zijn strijd tegen het seculier fundamentalisme. Volgens Dekker is dat op de lange termijn niet heilzaam, want het holt je theologie uit. Je kijkt dan al heel snel alleen nog maar naar de relevantie. Door die vermaatschappelijking krijg je ook steeds vaker en grotere botsingen met de scheiding tussen kerk en staat. Hij komt dan ook met het eerder besproken voorstel van scheiding geloofs- en welzijnsactiviteiten. Dekker betreurde dat in het debat rondom zijn boek de focus is komen te liggen op deze scheiding. Voluit kerk zijn betekent juist ook betrokken op de samenleving, volgens hem. De kerk is intern een leergemeenschap om je vervolgens via seculiere organisaties in het maatschappelijke veld te begeven. Als kerkelijk instituut doe je alleen en exclusief aan het evangelie gerelateerde ‘activiteiten’, de andere (welzijns) activiteiten moeten opgepakt worden door de (kerk)mensen.

PKN-preses Peter Verhoeff werd vervolgens een beetje bang dat we dan niet meer waren dan een verzameling gemeenschapjes rondom de core business en dat wilde hij beslist niet. Geloven en doen horen onlosmakelijk bij elkaar, net als organisme en instituut, aldus Verhoeff.

Ton Bernts van het KASKI vond dat er eerder sprake was van vervreemding dan van aanpassing (vermaatschappelijking). Men herkent zich niet in het aanbod (focus op zondagse viering), kerkleden zelf horen vaak antwoorden op de ‘verkeerde’ vragen en vaak zijn het juist geïsoleerde gemeenschappen. Nauwelijks contacten met maatschappelijke organisaties en 4/5 van de leden is actief voor/met de vieringen en 1/5 met maatschappelijke rol.

Gerrit de Kruiff, systematisch theoloog PThU (komt naar de VU! :-)), vond dat er niets uit de kerk hoefde te komen (in de zin van activiteit/relevantie. Er zit namelijk iets in en kerken vinden het vaak moeilijk genoeg om het daar bij te laten. Er staat slechts een brandende kaars. De kerk is geen betoog of mening, maar de aanwezigheid van het licht.

___

Het symposium werd door ongeveer vijftig mensen, overwegend grijs en mannelijk, bezocht. Allemaal wilden ze op een bepaalde manier het instituut kerk in stand houden. Het leek wel alsof zie zich wilden terugtrekken naar de core business als een soort overlevingsstrategie. Dat er geen jongeren in de zaal zaten, zou voor Harmen van Wijnen waarschijnlijk geen verrassing zijn geweest. En dat maakte de middag toch een beetje treurig. In de zaal zat namelijk ook weinig toekomst.