Afgelopen zaterdag was er een interessant congres vanuit Groenlinks, getiteld: Godsdienstvrijheid of vrij van godsdienst? Ik was er niet bij, maar heb de lezing van Femke Halsema gelezen.

Mijn ‘maar’ zit in het volgende. Volgens mij kun je niet simpelweg de volgende twee uitspraken naast elkaar laten staan:

Dat betekent bijvoorbeeld dat de staat ouders de mogelijkheid geeft (en blijft geven) om een school van hun eigen denominatie te stichten, om hun kinderen naar bijzonder onderwijs te sturen.

en

Simpelweg. Godsdienstvrijheid betekent juist dat je gelovige kan zijn èn praktizerend homoseksueel op een reformatorische school.

Volgens mij wringt er hier iets. Óf het 2e geval is discriminatie en daarom mag je een praktizerende homoseksueel niet weigeren of het is godsdienstvrijheid en dan mag je hem of haar wel weigeren. Want als dit geval onder godsdienstvrijheid valt, dan is er dus de vrijheid van een denominatie om te bepalen hoe en wat ze willen geloven. En op het moment dat een homo niet mag praktizeren (vervelende terminologie overigens) volgens het geloof van deze denominatie dan moeten ze de vrijheid hebben om het onderwijs ook zo in te richten en dus ook qua toelatingsbeleid. Anders is de link tussen het (bijzonder) onderwijs en de denominatie nogal afgekalfd en daarmee ook haar bestaansrecht. Zelf denk ik dat het eerder onder discriminatie zou vallen en moet je om die reden gaan nadenken over de grenzen van het bijzonder onderwijs. Maar de redenering vanuit godsdienstvrijheid loopt volgens mij spaak.

Laat het duidelijk zijn, dit is niet mijn ‘slotstandpunt’. Ik ben er gewoon nog niet over uit en deel daarom graag mijn overwegingen. Ik vraag me gewoon af waar de grenzen van godsdienstvrijheid en het bijzonder onderwijs lopen.